Voor iedereen een stage

 

Onderwijs is bedoeld om nieuwe generaties voor te bereiden op de arbeidsmarkt en de samenleving in de toekomst, door kennis en vaardigheden over te brengen. Dat stelde de MBO Raad in 2016. Daarbij is het belangrijk dat alle kinderen en studenten dezelfde en gelijke kansen hebben in het onderwijs.

 

Uit recente onderzoeken blijkt echter dat niet alle kinderen en studenten in gelijke mate worden behandeld, dat studenten met een migratieachtergrond geen gelijke kans krijgen aangeboden, dat studenten met een migratieachtergrond langer zoeken naar een stageplek én dat de afkomst en achtergrond van een student in een steeds grotere rol speelt bij kansen in de onderwijsdeelname. 

 

We moeten voorkomen dat deze kansenongelijkheid nog verder toeneemt. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kwam al in 2014 met een actieplan tegen arbeidsdiscriminatie. Een van de actiepunten: contracten met bedrijven die veroordeeld zijn voor discriminatie, zouden worden beëindigd. Ook werden voorlichtingscampagnes georganiseerd, die tot bewustwording moesten leiden. Bovendien investeerde de onderwijssector in het adviseren en begeleiden van studenten tijdens hun opleiding. Dit zou moeten leiden tot meer kansengelijkheid. Ondertussen speelt het stageprobleem bij mbo- en hbo-studenten met een migratieachtergrond nog steeds.  

Nog steeds stagediscriminatie

Ook in 2019 zijn al weer onderzoeken gedaan naar de discriminatie en ongelijke kansen op de stagemarkt. Eind augustus 2019 stelde de Sociaal-Economische Raad (SER) vast dat mbo-studenten met een niet-westerse achtergrond nog steeds meer moeite hebben met het vinden van een stage dan hun studiegenoten met een westerse achtergrond. Een derde van de mbo-studenten met een niet-westerse achtergrond moet minstens vier keer solliciteren om een stageplek te vinden. Van de mbo’ers zónder migratieachtergrond hoeft maar 14 procent vier keer of meer solliciteren. Is stagediscriminatie de verklaring voor dit verschil? Ja, zegt de SER. De raad noemt stagediscriminatie van mbo-studenten met een niet-westerse achtergrond een ‘zorgpunt’. 

 

Staatssecretaris Van Ark (Sociale Zaken, VVD) presenteerde in oktober 2019 een wetsvoorstel om discriminatie te voorkomen. Dit voorstel bepaalt dat iedere werkgever op papier moet zetten op welke manier hij of zij vooroordelen in de sollicitatieprocedure tegengaat. De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid controleert deze ‘werkwijze’ van bedrijven. Houdt de werkgever zich er niet aan? Bij de eerste controle krijgen ze een waarschuwing, bij de tweede een boete. De inspectie maakt de overtreding op dat moment bovendien openbaar. 

 

 

 

Werkgevers moeten diversiteit belangrijk vinden

Over dit wetsvoorstel ben ik sceptisch. Het straft en veroordeelt werkgevers, maar het is een pleister op een wondje. Het voorstel pakt de kern van het probleem niet aan. Werkgevers moeten het zélf belangrijk vinden om een divers bedrijf te krijgen, anders krijgen zij het ook moeilijk met het behouden van personeel met een andere achtergrond. Voorlichting speelt hierbij een belangrijke rol. Werkgevers moeten zich realiseren dat de samenstelling van onze bevolking verandert. Waar denken zij straks hun personeel vandaan te halen?

 

Studenten verliezen bij het zoeken naar een stageplek de motivatie, door verschillende factoren. Een deel van de studenten uit de migrantengroepen heeft geen makkelijke thuissituatie. De belangrijkste consequentie hiervan is dat deze studenten geen netwerk hebben waarmee ze makkelijk contacten kunnen leggen met het werkveld. Veel ouders hebben een lage opleiding en hebben zelf geen contacten met het bedrijfsleven op een manier waar de studenten wat aan hebben. Verder heeft een deel ook te maken hebben met bijvoorbeeld een gebrek aan motivatie, voorbereiding, communicatieve vaardigheden en punctualiteit. Belangrijk om te weten is wel dat studenten vaak uit een milieu komen waarbij verwacht wordt – of noodzakelijk is – dat zij financieel bijdragen in het gezin. Deze werkzaamheden naast een fulltime stage kunnen leiden tot vermoeidheid, minder motivatie en minder discipline in bijvoorbeeld op tijd komen.  

Minder stage-uren?

Een andere vraag is: is het aantal stage-uren dat een mbo-student moet maken, nog wel nodig en mogelijk? Een stage is vrijwel gelijk aan een fulltime baan van een medewerker van het desbetreffende bedrijf of instelling. De opleidingen zelf, maar ook de politici en beleidsmakers, moeten zich kritisch afvragen in hoeverre het nuttig is om 500 tot 700 uur stage te lopen. Als een leerbedrijf van twintig medewerkers drie stagiaires in dienst heeft die in totaal 500 tot 700 uren uur stage per persoon lopen, dan is er zo’n beetje een full-time medewerker nodig om deze studenten effectief te begeleiden. Er zou gekeken kunnen worden naar andere leerzame mogelijkheden. Een opdracht in groepsverband bijvoorbeeld, waarbij studenten samen aan een onderzoek werken. Zo biedt het leerbedrijf een plek aan studenten om ervaring op te doen en een kijkje in de keuken te nemen. Tegelijk is het voor het bedrijf belangrijk dat het zijn sociale gezicht kan tonen door als leerbedrijf een maatschappelijke rol te vervullen. 

 

De methodiek van de groepsopdrachten werkt goed bij de stichting ASHA in Utrecht, waar ik secretaris ben. Wij werken samen met diverse organisaties zoals de gemeente Utrecht, buurtteams, welzijnsorganisatie Dock, Bibliotheek Utrecht, Artikel 1 Midden Nederland, Politie Utrecht en aantal bedrijven. Wij nemen de mbo- en hbo-stagiaires aan en zetten hen in groepen op verschillende projecten. Er wordt onder anderen gratis huiswerkbegeleiding gegeven op buurtcentra, maar ook op scholen, er worden ontmoetingen voor ouderen georganiseerd met programma’s tegen vereenzaming en leren van de taal en omgaan met computers. In samenwerking met diverse organisaties houden we dialoogavonden over verschillende belangrijke thema’s. En een heel belangrijke project vormen de twee sollicitatie-helpdesks die in twee Utrechtse bibliotheken zijn opgezet. Deze helpdesks helpen mensen die willen solliciteren, maar niet digivaardig zijn (meer dan 80 procent van de vacatures wordt digitaal aangeboden), die geen computer hebben of de Nederlandse taal niet goed beheersen. Bij al deze activiteiten worden in totaal zo’n 45 mbo- en hbo-stagiaires ingezet – vooral studenten die elders geen stageplek konden vinden, en dat werkt. We begeleiden hen met vier bestuursleden.

Samen om tafel

Als we het stagevraagstuk willen oplossen, moeten we wellicht het stagebeleid opnieuw inrichten en aanpassen aan de veranderde tijd. Verschillende partijen kunnen samen om tafel om nieuwe stagevormen te bedenken die effectief, leerzaam en nuttig zijn. Het aantal stage-uren en de vorm van begeleiden zijn daarbij belangrijke onderwerpen. Dat is een complex vraagstuk, want bedrijven veranderen, mensen werken meer thuis waardoor het aantal werkplekken beperkt is en begeleiding problematisch is en kleine werkgevers zijn zzp’ers geworden die geen stageplekken meer kunnen aanbieden.

 

Juist met het oog op die complexiteit, moeten we dit vraagstuk met meerdere partijen bespreken: onze onderwijssector met name de mbo- en hbo-opleidingen, de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SSB) en zeker ook het parlement en het ministerie van Onderwijs. Het gaat tenslotte om een wetswijziging. We hebben elkaar nodig om te kansen die er echt wel zijn, te zien en te grijpen.

 

Radj Ramcharan is projectleider bij de Stichting Lezen en Schrijven en bestuurder van de Utrechtse stichting ASHA.