Gelijke kansen op de stagemarkt  

___________________________________________________________________________

 

Een verkennend kwantitatief en kwalitatief onderzoek naar ongelijkheidsgevoelens onder Utrechtse mbo-2, 3 en 4 studenten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Universiteit Utrecht

 Criminologisch Onderzoek voor Juristen

Diana Kalka (4291395)

Evi Kroeze (5642159)

Luca Keuben (6180876)

Datum: 5 juli 2019

 

 

Voorwoord

Dit onderzoek is onderdeel van de cursus Criminologisch onderzoek voor juristen van de minor Criminologie aan de Universiteit Utrecht. In samenwerking met Stichting Platform Sociale Binding zijn de gelijke kansen op de stagemarkt voor mbo-studenten onderzocht. Hiervoor willen wij allereerst graag de heren Zeki Arslan en Radj Ramcharan danken voor hun bijdrage, kennis, netwerk, tijd en energie die zij hebben gestopt in het ondersteunen van het doen van dit onderzoek. 

            Ook willen wij de heren Mostafa el Filali, Balkan Akbulut en Ronald Kalka danken voor hun bijdrage aan de open-interviews die zijn afgelegd. Hun ervaringen en deskundigheid waren van groot belang.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inhoudsopgave

 

Inleiding……………………………………………………………………………….………4

 

Hoofdstuk 1: Het theoretisch kader inzake de stagemarkt op het mbo

1.1 Het middelbare beroepsonderwijs…………………………………………………………6

1.2 Secundaire deviantie, folk devils en sociale bindingstheorie ……………………….…….6

 

Hoofdstuk 2: Methodologische reflectie

2.1 Kwantitatieve- en kwalitatieve insteek……………………………………………….……9

2.2 Validiteit en betrouwbaarheid……...…………………………………………….………...9

 

Hoofdstuk 3:Kwantitatief onderzoek onder mbo-2, 3 en 4 studenten

3.1 Achtergrond respondenten mbo-studenten……………………………………………….11

3.2 Algemene cijfers………………………………………...……………….……………….11

3.3 Het vinden van een stageplek………………………………………………………...….11

3.4 Ongelijkheidsgevoelens onder mbo-studenten…………………………………………...12

 

Hoofdstuk 4: Kwalitatief onderzoek onder de betrokken deskundigen

4.1 De observatie……………………………………………………………………………..14

4.2 Introductie deskundigen…………………………………………….…………………….14

4.3 Analyse open-interviews………………………………………………………….………15

         4.3.1 Het huidige beeld van de stagemarkt op het mbo……………………………...16

         4.3.2 Motivatie van de studenten…………………………………………………….17

         4.3.3 De meerwaarde van een stage………………………………………………….18

         4.3.4 Contact tussen betrokken partijen……………………………………………...19

         4.3.5 Neerwaartse spiraal.……………………………………………………..……..19

         4.3.6 Verbeteringen stage-systeem.…………………………………...…………......20

 

Conclusie……………………………………………………………………….…………….22

Bronnenlijst………………………………………………………….………………………24

Inleiding

Onderwijs heeft als doel nieuwe generaties, door middel van het overbrengen van kennis en vaardigheden, voor te bereiden op de arbeidsmarkt en de samenleving in de toekomst (MBO Raad, 2016). Hierbij is het van uiterst belang dat alle kinderen en studenten dezelfde en gelijke kansen hebben in het onderwijs. Echter is uit recent onderzoek van de Onderwijsinspectie gebleken dat niet alle kinderen en studenten in gelijke mate worden behandeld. Veel middelbare beroepsonderwijs studenten geven in dit onderzoek aan dat het niveau van hun studie de voornaamste reden is voor het ontbreken van een gelijke behandeling. In Gelijke kansen op gelijke stages (Van Rooijen & Winter-Koç ak, 2018) wordt gesteld dat studenten met een migratieachtergrond op basis van hun etnische achtergrond geen gelijke kans krijgen aangeboden. 

            Echter blijft het niet hierbij. De afgelopen jaren is uit verschillende onderzoeken gebleken dat studenten met een niet-westerse achtergrond meer moeite hebben met het vinden van een stageplaats dan autochtone studenten. In 2016 stelde de Onderwijsinspectie vast dat kinderen met hoogopgeleide ouders meer kans hebben op het behalen van een diploma dan kinderen met laagopgeleide ouders. Uit onderzoek van echteKennisplatform Integratie & Samenleving is gebleken dat middelbare beroepsonderwijs studenten met een migratieachtergrond, in vergelijking met studenten met een Nederlandse achtergrond, langer zoeken naar een stageplek (Van Rooijen & Winter-Koç ak, 2018). De afkomst en achtergrond van een student speelt in een toenemende mate een rol bij kansen in de onderwijsdeelname. Er moet voorkomen worden dat deze verschillen in kansen blijven toenemen. Dat dit onaanvaardbaar is, is evident en bovendien kunnen deze ontwikkelingen negatieve effecten hebben op de ontwikkeling van onze economie (MBO Raad, 2016). 

            De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in 2014 een actieplan tegen arbeidsdiscriminatie opgezet. Dit actieplan bevat een aantal maatregelen om discriminatie op de arbeidsmarkt tegen te gaan. Zo zouden contracten met bedrijven die veroordeeld zijn voor discriminatie worden beλindigd. Ook zouden er voorlichtingscampagnes worden georganiseerd. Deze campagnes moeten tot bewustwording leiden (Hofhuis & Swarte, 2016). Bovendien wordt door het onderwijs geοnvesteerd in het adviseren en begeleiden van studenten tijdens hun opleiding. Dit zou ertoe moeten leiden dat kansengelijkheid beter gerealiseerd kan worden (MBO Raad, 2016). 

 

Het betreft een onderwerp dat leeft en er zijn al veel onderzoeken gedaan naar de discriminatie en ongelijke kansen op de stagemarkt. Echter wordt het fenomeen weggestopt als een niet-waardevol probleem. Minister Bussemaker erkent dat stageproblematiek heerst, maar ziet tot de dag van vandaag geen meerwaarde in extra onderzoek (“Bussemaker: geen eenvoudige oplossing voor stageproblematiek”, 2015). Om deze reden is ervoor gekozen om in dit onderzoek dit thema nog een keer te belichten, zonder de expliciete focus op de migratieachtergrond van de jongeren te richten, maar juist te meten in hoeverre de gemiddelde mbo-student deze ongelijkheidsgevoelens daadwerkelijk ervaart. In het onderzoek wordt de volgende vraag beantwoord: 

 

“In hoeverre is sprake van een ongelijkheidsgevoel onder Utrechtse mbo-studenten en in hoeverre zien wij een ongelijke behandeling terug in de praktijk?”

 

 Het onderzoek wordt verricht in de hoop kennis te verzamelen en te kunnen bijdragen aan eventuele nieuwe inzichten die wellicht een vervolgstudie kunnen opleveren. 

            Om de onderzoeksvraag te beantwoorden wordt zowel kwalitatief en kwantitatief onderzoek verricht. Aan de ene kant wordt gebruik gemaakt van een kwalitatieve onderzoeksmethode, namelijk de diepte-interviews. Aan de andere kant is er in dit onderzoek ook een kwantitatieve insteek; het afnemen van vragenlijsten. In dit onderzoek wordt alleen ingegaan op mbo-2, mbo-3 en mbo-4 studenten. Er is gekozen om mbo-1 studenten buiten beschouwing te laten omdat deze groep het minst vertegenwoordigd is over het totaal aantal studenten. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 1: Het theoretisch kader inzake de stagemarkt op het mbo

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de beschrijving van het middelbare beroepsonderwijs, de invulling van een stage-ervaring en worden criminologische aspecten als secundaire deviantie, folk devils en sociale bindingstheorie gekoppeld aan het onderzoek en de doelgroep. Middels het belichten van deze onderwerpen wordt het theoretisch kader inzake de stagemarkt uiteengezet. 

 

1.1 Het middelbare beroepsonderwijs en de stage-ervaring

Het middelbare beroepsonderwijs is een aanzienlijke onderwijsvorm in Nederland. Ruim

500.000 studenten per jaar volgen een mbo-opleiding. Aan een Regionaal Opleidingscentrum

(ROC) kun je mbo-opleidingen volgen in de sectoren Techniek, Zorg & Welzijn en

Economie. Jongeren kunnen ook een mbo-opleiding volgen aan een Agrarisch

Opleidingscentrum (AOC). Het AOC biedt opleidingen in de sector landbouw aan. Het mbo heeft vier verschillende niveaus. De Entreeopleiding (niveau 1) is bedoeld voor studenten die geen vmbo-diploma hebben. Deze opleiding duurt een jaar. Wanneer de Entreeopleiding is afgerond, kan worden doorgestroomd naar de basisberoepsopleiding (niveau 2). Het doel van deze beroepsopleiding is het leren verrichten van uitvoerende werkzaamheden, denk aan kapper of autotechnicus. Een opleiding op niveau 2 geeft studenten een startkwalificatie. Na het behalen van deze startkwalificatie, kan worden doorgestroomd naar niveau 3. Wanneer studenten de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, zijn ze niet langer leerplichtig. Het volgen van een niveau 3 opleiding is dan niet verplicht. Dit type opleiding leidt studenten binnen twee of drie jaar op tot het zelfstandig kunnen uitoefenen van een beroep. Als laatste heb je niveau 4 opleidingen, ook wel middenkaderopleidingen genoemd. Studenten die deze opleidingen hebben afgerond, hebben de mogelijkheid om door te stromen naar het hoger beroepsonderwijs (Klooster, Kocak, & Day, 2016). 

            Het leren in de praktijk is een belangrijk onderdeel van een mbo-opleiding. Tijdens de beroepspraktijkvorming (BPV) maken studenten kennis met de praktijk. Het verschilt per opleiding hoeveel uur er aan beroepspraktijkvorming wordt besteed. Binnen het middelbare beroepsonderwijs bestaan er twee leerwegen, namelijk de Beroepsopleidende leerweg (BOL) en de Beroepsbegeleidende leerweg (BBL) (Klooster, Kocak, & Day, 2016). 

        

1.2 Secundaire deviantie, folk devils en sociale bindingstheorie  

Er zijn een aantal criminogene concepten die mogelijkerwijs een rol spelen bij de jongeren op het mbo. Binnen deviantie zijn twee soorten te onderscheiden; primaire deviantie en secundaire deviantie. Bij primaire deviantie leidt het overtreden van een norm wel tot deviantie, maar de maatschappelijke positie van die persoon wordt niet blijvend veranderd. Wanneer wel sprake is van een, in een negatieve richting, blijvende verandering van de maatschappelijke positie, dan is er sprake van secundaire deviantie. Secundaire deviantie bevat drie fasen: etikettering, stigmatisering en tot slot de aanvaarding van de identiteit. Bij etikettering wordt er een nieuwe, vaak ongunstige identiteit, toegeschreven. De tweede fase is de stigmatisering. Men gaat dan individuen op grond van het gegeven etiket behandelen. Uiteindelijk wordt deze identiteit aanvaard. Dit betreft de laatste fase van secundaire deviantie (Philipsen, 1970). 

            Er kan worden gesteld dat binnen de term ‘deviantie’, de etikettering een grotere rol speelt dan alleen het normoverschrijdende gedrag. Het kan namelijk zo zijn dat een daadwerkelijke normoverschrijding niet heeft plaatsgevonden. Het kan zijn dat iemand behandeld wordt op basis van een bepaald etiket, terwijl er geen normoverschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden (Philipsen, 1970). De jongeren die studeren aan een mbo-opleiding krijgen van de maatschappij eerder het etiket zoals probleemjongeren, relschoppers of tuig dan hoger opgeleide jongeren. Ze worden gezien als een soort ‘folk devils’ en de kans bestaat dat de jongeren zich dus naar dit etiket gaan gedragen en criminaliteit vertonen. Voor jongeren met een migratieachtergrond, die oververtegenwoordigd zijn binnen het mbo, kan dit etiket nog extremer zijn aangezien er binnen de Nederlandse bevolking een grote verdeeldheid bestaat met betrekking tot tolerantie richting migranten. 

            In maart 2017 betoogt professor Ruben van Gaalen tijdens zijn oratie over de snel veranderende samenleving. Van Gaalen (2017) analyseerde in zijn onderzoek verschillende aspecten als jeugd, opleiding, loopbaan en de gezinsvorming. Volgens Van Gaalen is het opleidingsniveau een belangrijke factor voor de groter wordende verschillen binnen een samenleving. Werkzaamheden van lager opgeleiden zouden eenvoudiger wegbezuinigd kunnen worden waardoor de kans op het verliezen van een baan groter is. Beslissingen die mensen maken met deze onzekerheid hebben grote gevolgen op de lange termijn.  Bovenstaande ontwikkelingen kunnen worden gelinkt aan de sociale bindingstheorie. Deze theorie heeft, volgens de geleerde Hirschi, het uitgangspunt dat de mens van nature geen sociaal gedrag vertoont. Echter heeft iedereen bepaalde bindingen met bijvoorbeeld familie, maatschappij of scholen waardoor men weerhouden wordt van het plegen van criminaliteit (Rutenfrans & Terlouw, 1994).  Volgens gegevens blijkt uitval op het mbo een landelijk probleem te zijn, studenten vallen namelijk stelselmatig uit het systeem en stoppen met hun opleiding. Er is sprake van veel verzuim op de scholen. (“‘De uitval in het mbo is een landelijk probleem’”, 2016) Dit leidt uiteindelijk tot minder binding met de scholen, aangezien studenten minder aanwezig zullen zijn. Doordat lager opgeleiden bovendien gemiddeld meer in onzekerheid zouden leven, worden bepaalde cruciale beslissingen gebaseerd die op deze onzekerheid gebaseerd zijn. Een voorbeeld hiervan is het plegen van criminaliteit ten behoeve van levensonderhoud. Vanwege de eerder genoemde etiketten die de jongeren opgeplakt krijgen door de maatschappij is het mogelijk dat ook deze binding erg laag is. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 2: Methodologische reflectie

In dit hoofdstuk wordt een methodologische reflectie uiteengezet. De gebruikte methoden en technieken om de onderzoeksvraag te beantwoorden worden uitgelegd. Er wordt ingegaan op de uitvoering van het onderzoek en hoe de validiteit en betrouwbaarheid hiervan is gewaarborgd.

 

2.1 Kwantitatieve- en kwalitatieve insteek

In dit onderzoek is gebruik gemaakt van zowel kwantitatieve als kwalitatieve methoden en technieken. De opzet was om 60 mbo-studenten van niveau 2, 3 en 4 te bereiken en ongelijkheidsgevoelens op de stagemarkt te meten. Dit is uitgevoerd door ongeveer 60 vragenlijsten af te nemen bij mbo-studenten aan de Marco Pololaan van de Business & Administration College. Ook zijn vragenlijsten afgenomen bij stagiaires van Stichting ASHA. De vragenlijsten zijn uiteindelijk beantwoord door 43 studenten en aan de hand van de uitkomsten van deze gestructureerde dataverzamelingsmethode is een data-analyse uitgevoerd. Bij deze vragenlijsten zijn geen vragen niet-ingevuld of onduidelijk gebleken. Om deze reden zijn alle vragen meegenomen in het onderzoek.

Daarnaast zijn er op drie momenten open-interviews afgenomen bij diverse betrokken partijen die relevant zijn binnen de stagemarkt voor mbo-studenten. Hiervoor is een stageaanbieder, een stagebegeleider en een afdelingsmanager van ROC Midden-Nederland geοnterviewd. Hierbij is gebruik gemaakt van semi-gestructureerde interviews met behulp van topiclijsten en tijdens de interviews zijn notities en geluidsopnames gemaakt. Bovendien is een korte observatie gedaan op de locatie waar de meerderheid van de vragenlijsten zijn afgenomen bij mbo-studenten.

            De kwantitatieve data is in het programma SPSS verwerkt. Met behulp van dit programma zijn statistische toetsen uitgevoerd om de data te analyseren en uiteindelijk te interpreteren. De kwalitatieve data is geanalyseerd aan de hand van notities en geluidsopnames. Belangrijke uitspraken hebben wij op een later moment geciteerd in het onderzoek. 

 

2.2 Validiteit en betrouwbaarheid

De validiteit en betrouwbaarheid van het onderzoek is gewaarborgd door bijvoorbeeld rekening te houden met de Ramadan en het hierbij horende Suikerfeest gedurende de periode rond mei tot en met juni. Om uitval van respondenten te voorkomen en de interne validiteit te waarborgen is gekozen om de vragenlijsten na het Suikerfeest af te nemen onder de mbostudenten. Het onderzoek is valide omdat consequent dezelfde antwoordmogelijkheden zijn gegeven bij merendeel van de vragen op de vragenlijst. Op deze manier kunnen de studenten per vraag echt een goede afweging maken en heeft een hogere score ook daadwerkelijk betekenis in vergelijking met een lagere score op bijvoorbeeld een vraag daarvoor. Bovendien zijn de vragenlijsten afgenomen onder een toeziend oog van een docent binnen een lesuur, op deze manier wordt apart de tijd genomen voor de vragenlijst en kunnen studenten zich op de vragenlijst concentreren. Een kritische noot die gegeven kan worden heeft betrekking op de externe validiteit. Wegens beperkte tijd en middelen is er slechts ιιn ROC-locatie bezocht, namelijk ROC Midden-Nederland. Om deze reden zouden de uitkomsten van dit onderzoek niet eenvoudig gegeneraliseerd kunnen worden voor een grotere - en tevens andere - populatie, vanwege de geografische ligging.

 

 

 

 

 

 

 

 

  

  

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

Hoofdstuk 3: Kwantitatief onderzoek onder mbo-2, 3 en 4 studenten

In dit hoofdstuk wordt het kwantitatieve deel van het onderzoek uiteengezet. Er wordt ingegaan op de achtergrond van de respondenten. Ook worden algemene opvallende cijfers uit de data-analyse beschreven. Aan de hand van de data-analyse zijn ongelijkheidsgevoelens onder mbo-studenten gemeten.

 

3.1  Achtergrond respondenten mbo-studenten

De meerderheid van de respondenten volgt zijn of haar opleiding aan het Business &

Administration College in Utrecht. Via de heer El Filali, tevens afdelingsmanager Zakelijk Commercieel Utrecht van de Business & Administration College, zijn wij in contact gekomen met de deelnemende studenten. Bij de heer El Filali hebben wij bovendien een diepteinterview afgenomen, dit zal in hoofdstuk 4 nader worden beschreven.

 

3.2 Algemene cijfers

Aan het onderzoek hebben 23 mannen en 20 vrouwen deelgenomen. Veruit de meeste studenten zijn 18, 19 of 20 jaar. De meerderheid van de studenten volgen niveau mbo-2, namelijk 46,5% van de respondenten. Studenten hadden de mogelijkheid om zelf hun gevoelsmatige identiteit te beoordelen, deze opties bestonden uit: Nederlands, Nederlands in combinatie met (een) andere(n) bevolkingsgroep(en) en niet-Nederlands. 58,1% van de respondenten geeft zichzelf een Nederlandse identiteit in combinatie met een andere bevolkingsgroep. Ruim 23% van de respondenten voelt zich niet-Nederlands. Aan de hand van de data-analyse komt naar voren dat ruim 81% zich niet als louter Nederlander – maar in combinatie met een andere bevolkingsgroep -  identificeert.

 

3.3 Het vinden van een stageplek

De eerste analyse die is uitgevoerd heeft betrekking op de persoonlijke gegevens van de deelnemende studenten. Hierbij is gekeken naar de variabelen leeftijd, geslacht en identiteit. Voor de variabelen geslacht en identiteit zijn geen significante correlaties naar voren gekomen. Met betrekking tot de leeftijd van de studenten blijkt uit de data-analyse dat als een student ouder is, zij het idee hebben dat hun kledingvoorkeur meer invloed heeft op het verkrijgen van een stageplek, dan studenten die jonger zijn. (r = 0,35 p = 0.02). Ditzelfde geldt voor de invloed van een curriculum vitae en een motivatiebrief op het verkrijgen van een stageplek (r = 0.34 p = 0.03). Daarnaast is een significante correlatie gevonden tussen de variabele leeftijd en voorbereiding op het verkrijgen van een stageplek (r = 0.42 p = 0.006). Indien studenten ouder zijn zullen zij zich over het algemeen beter hebben voorbereid op hun sollicitatiegesprek dan jongere studenten. Uit deze statistieken kan opgemaakt worden dat de oudere studenten het verkrijgen van een stage serieuzer nemen dan de jongere studenten.

            Er is matige positieve correlatie tussen de variabele niveau en het aantal keer afgewezen zijn voor stageplek. ( r = 0,39 p = 0.01). Indien een student een hoger niveau volgt, blijkt uit de data-analyse dat deze student ook vaker afgewezen kan worden dan studenten met een lager niveau. Een verklaring hiervoor kan zijn dat studenten van het mbo-4 niveau meer concurrentie voelen van hbo-studenten of universitaire studenten. Uit de dataanalyse blijkt dat meer dan de helft van de respondenten minimaal ιιn keer is afgewezen voor een stageplek.

            Overigens blijkt er een significante correlatie te zijn tussen het gevoel serieus genomen te worden door een stage-aanbieder en het gevoel voldoende hulp te ontvangen vanuit de opleiding (r  = 0.39  p  = 0.01). 14% van de respondenten geeft aan zich niet tot helemaal niet serieus genomen te voelen door een stage-aanbieder. Een samenhang komt naar voren bij het gevoel dat een stage een geschikte manier is om het werkveld te verkennen en het gevoel serieus genomen te worden door een stage-aanbieder (r  = 0.40 p = 0.008) en bij het gevoel voldoende hulp vanuit de opleiding te ontvangen en de mening dat een stage een geschikte manier is om het werkveld te verkennen (r = 0.33 p  = 0.03). Aan de hand van deze analyse komt naar voren dat deze variabelen bij de studenten over het algemeen met elkaar in verhouding staan wat betreft een positief of negatief beeld omtrent het vinden van een stageplek. Een student die het gevoel heeft niet serieus genomen te worden door stageaanbieders, zal een stage over het algemeen minder nuttig vinden en ook het gevoel hebben dat hij of zij minder hulp ontvangt vanuit de opleiding bij het vinden van een geschikte stageplek.

 

3.4 Ongelijkheidsgevoelens onder mbo-studenten

In de vragenlijst zijn verschillende factoren gegeven die kunnen bijdragen aan het wel of niet beοnvloeden van het verkrijgen van een stageplek. Hierbij zijn onder anderen de huidskleur, voor- en achternaam, kledingvoorkeur en accent opgenomen. Bij al deze factoren is gebleken dat wanneer een student aangeeft dat een van deze reeds genoemde factoren invloed heeft op het verkrijgen van een stageplek, deze invloed wordt bestempeld als een negatieve invloed op het verkrijgen van een stageplek. Een voorbeeld hiervan is de samenhang van de invloed van de voor- en achternaam en hoe deze invloed wordt ervaren (r  = 0.62 p < .001).

            De afsluitende vraag in de vragenlijst betrof het geven van een cijfer bij het vinden van een stageplek. Hierbij staat het cijfer 1 gelijk aan geen ongelijkheidsgevoelens en het cijfer 10 aan een extreem ongelijkheidsgevoel. Alle respondenten op vier na gaven aan dat zij in meer of mindere mate een ongelijkheidsgevoel ervaren. Het gemiddelde cijfer wat werd gegeven door de respondenten betrof een 4.7 op een tienpuntschaal. Opvallend is dat zes respondenten hun ongelijkheidsgevoel becijferen met een acht, deze respondenten ervaren een erg hoge ongelijkheidsgevoel bij het verkrijgen van een stageplek. Uit een independentsamples t-test komt naar voren dat er geen significant verschil is tussen mannen en vrouwen met betrekking tot het cijfer dat zij geven voor hun ongelijkheidsgevoel bij het vinden van een stage (t (39) = -0.62; p = 0.80).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 4: Kwalitatief onderzoek onder de betrokken deskundigen

In dit hoofdstuk is het kwalitatieve deel van het onderzoek uiteengezet. Een observatie is gedaan bij een ROC Midden-Nederland aan de Marco Pololaan. Ook komen drie deskundigen komen aan het woord die zullen spreken over hun ervaringen omtrent de gelijke kansen op de stagemarkt en verschillende onderwerpen hieromtrent zullen behandelen.

 

4.1 De observatie

Bij aankomst aan de locatie Marco Pololaan van de Business & Administration College viel het op dat ondanks de harde stortbui, er toch een aantal leerlingen buiten stonden te roken. De locatie bevindt zich aan een drukke kruising en om de school te bereiken moeten stoplichten worden gepasseerd. De school zelf is een imposant gebouw dat de indruk geeft dat het er nog niet heel lang staat en behoorlijk nieuw oogt.  Eenmaal binnen stond er een drietal poortjes, waarvan het leek dat de leerlingen hier doorheen moeten lopen bij binnenkomst en vertrek van de locatie. De locatie geeft een gezellige en open indruk bij binnenkomst. Er valt veel licht naar binnen en er is veel overzicht door de trappen die in het midden van het gebouw staan, zodat er vanaf een hoogte een goed beeld van de gehele ruimte is. Er is licht meubilair aanwezig en er zijn leuke zithoekjes gecreλerd. Ook hier krijgt men het idee dat het meubilair vrij nieuw is. Aan enkele tafels zitten studenten te kletsen of op hun telefoon. Opvallend hierbij is dat ze allemaal de indruk geven dat zij een gemengde culturele achtergrond hebben. Wandelend richting het kantoor van Mostafa el Filali, zijn er onderweg een aantal groepjes studenten die rondhangen in de gangen van de school. Een medewerker van de school stuurt deze leerlingen vervolgens naar beneden of naar hun les en het is weer rustig in de gang. Na enige minuten is de heer El Filali beschikbaar en vindt het interview plaats in zijn nette en toegankelijke kantoor. Na het interview komen we terug in de eerder genoemde hal. Op dat moment zijn er meer studenten aanwezig dan daarvoor. Een vrouwelijke student roept wat naar een groepje studenten dat aan een tafel zit en begint met ze te praten. Ze kijkt een mannelijke student aan, zegt zijn naam en vraagt vervolgens waarom hij hier zit, hij moest tien minuten geleden al in de les zitten. Hij geeft aan geen zin te hebben in de les maar de studente neemt hier geen genoegen mee en sleept hem mee naar de les. Bij vertrek passeren wij wederom de poortjes en de rokende studenten buiten. 

 

 

4.2 Introductie deskundigen

Mostafa el Filali - Afdelingsleider Zakelijk Commercieel Utrecht ROC Midden-Nederland

De heer El Filali is op zijn 23ste vanuit Marokko naar Nederland verhuisd. Hij volgde het Gymnasium in Marokko en volgde hierna een opleiding tot straaljagerpiloot. Vanwege zijn opvattingen en het zijn tegen een oorlog is hij hiermee vroegtijdig gestopt. Hierna rolde de heer El Filali al snel in het onderwijs in. De heer El Filali heeft eerst vier jaar les gegeven in Kanaleneiland en is toen opgeklommen naar functies zoals onder anderen onderwijsinspecteur, beleidsmedewerker Onderwijs voor de Gemeente Utrecht, manager Diversiteit & Integratie bij de Gemeente Utrecht  en directeur Commercie Buitenland bij Achmea. Toch kreeg hij algauw heimwee naar het lesgeven. Het ROC Midden-Nederland was destijds op zoek naar een persoon met ervaring in leidinggeven, management en het leiden van een moeilijke doelgroep. Die moeilijke doelgroep is voor de heer El Filali juist de uitdaging: de studenten die net iets meer begeleiding nodig hebben. 

 

Balkan Akbulut - Docent & Loopbaanbegeleider ROC Midden-Nederland  

De heer Akbulut is docent en loopbaanbegeleider bij het ROC Midden-Nederland. Hij is voor een dag in de week stagebegeleider en heeft een aantal studenten onder zich die intern stage lopen. Deze stages vallen onder leerwerk, ten behoeve van opdrachtgevers die vaak uit het werkveld zoals onder andere de gemeente vallen.

 

Ronald Kalka - Voorzitter Stichting ASHA

De heer Kalka heeft geen studie of opleiding gevolgd in het onderwijs, maar is zoals de heer

Kalka dit zelf zegt: “er vanzelf ingerold vanuit de praktijk”. Op zijn 18de is hij vanuit Suriname verhuisd naar Utrecht. Voor een lange tijd heeft hij gewerkt bij FORUM, een multicultureel instituut voor ontwikkelingen, waar zij het voor elkaar hadden gekregen om naast hbo- en universitaire studenten, ook mbo-studenten binnen te krijgen en deze toestroom te stimuleren. Hoewel de heer Kalka nu met pensioen is, is hij nog altijd verbonden aan meerdere vrijwilligersorganisaties. Een voorbeeld hiervan is Stichting ASHA. Dit is een vrijwilligersorganisatie waarbij wordt samengewerkt met diverse organisaties zoals buurtorganisaties, bibliotheken en Artikel1 Utrecht. Er wordt onder anderen gratis huiswerkbegeleiding gegeven, ontmoetingen voor ouderen georganiseerd en dialoogavonden met diverse organisaties gerealiseerd. Bij deze activiteiten worden mbo-stagiaires ingezet. Dit zijn voornamelijk stagiaires die elders niet een stageplek vinden.

 

4.3 Analyse open-interviews                

Afgelopen jaren hebben verschillende onderzoeken aangetoond dat er op de arbeidsmarkt sprake is van discriminatie. Dat jongeren gelijke kansen krijgen tijdens sollicitatieprocedures is van groot belang voor hun verdere toekomst. Studenten in het middelbaar beroepsonderwijs maken al vroeg kennis met het proces van solliciteren en selectie. Vanaf het eerste leerjaar moeten zij zelfstandig, of onder begeleiding van school op zoek naar stages of leerwerkplaatsen. Voor het kwalitatieve deel in dit onderzoek is gekozen om drie openinterviews te houden met een afdelingsleider, een stagebegeleider en een stage-aanbieder die een goed beeld hebben van de stageproblematiek.

                                                

4.3.1 Huidig beeld stagemarkt op het mbo  

Het algemene beeld dat bij de drie deskundigen naar voren komt over de huidige stagemarkt is niet slechts positief. De heer Kalka geeft  aan dat hij zich afvraagt of het aantal stage-uren dat een mbo-student moet maken nog wel nodig is. Volgens hem staat een stage vrijwel gelijk aan een full-time baan van een medewerker van het desbetreffende bedrijf. Volgens de heer Kalka moeten wij als stage-aanbieder, als opleider, maar ook vanuit de politiek ons kritisch afvragen in hoeverre het nuttig is om 500 tot 700 uur stage te lopen.

 

“Als een leerbedrijf van twintig medewerkers drie stagiaires in dienst heeft die in totaal 500 uur stage per persoon lopen, dan mag je wel een full-time medewerker inzetten om deze studenten effectief te begeleiden. Er zou gekeken kunnen worden naar andere leerzame mogelijkheden. Een opdracht in groepsverband bijvoorbeeld. Waar met elkaar, samen aan een onderzoek wordt gewerkt. Zo biedt het leerbedrijf een plek aan studenten om ervaring op te doen, om een kijkje te nemen in de keuken. Maar anderzijds, is een sociaal gezicht niet onbelangrijk voor een bedrijf, het kan zeker een zinvolle aanvulling zijn om als leerbedrijf een maatschappelijke rol in te vullen. Bij Stichting ASHA zien wij dat de methodiek om groepsopdrachten te maken, werkt.”

 

De heer Akbulut is het eens met het idee dat een praktische ervaring het beter doet voor mbostudenten dan het leren uit boeken.

“Onze studenten zijn praktisch ingesteld. Ze lopen liever stage dan dat zij studeren. Vaak hebben onze studenten een korte spanningsboog, het zijn doeners. Daarom moeten wij zoveel mogelijk mensen uit het werkveld laten komen om samen aan onderwijsontwikkeling te doen. Er moet meer aandacht naar gezamenlijke onderwijsontwikkeling. Misschien overdreven, maar docenten zouden zelf ook ιιn dag in de week stage kunnen lopen, zodat wij zelf ook weten hoe en wat er speelt. Dit komt ten goede van een positieve onderwijsontwikkeling.”

 

De heer El Filali spreekt over een algemeen beeld. Hij is blij met verplichtingen zoals de leerplicht en met de steeds meer “kleur”-ontwikkelingen in het hogere onderwijs. Echter gaat het volgens El Filali te langzaam.

“Oververtegenwoordiging bij het VMBO en het mbo - en daarmee ook de stagiaires - met een biculturele achtergrond is bijna 100%. Dat begrijp ik niet. We zijn bijna drie tot vier generaties verder. Ontwikkelingen in ons politieke klimaat zoals een coalitie aangaan met de heer Wilders hebben veel projecten kapot gemaakt. Het heeft bijna met falen te maken. We moeten onszelf afvragen waar de stage-problematiek aan ligt. Ligt het aan een laag IQ? Ligt het aan de omstandigheden binnen een gezin? Veel jongeren binnen deze locatie zijn het niet eens met hoe hun ouders behandeld worden, waardoor een vijandige houding wordt getoond.

De verharding van de maatschappij heeft de laatste tien jaren veel kapot gemaakt”.  

 

4.3.2 Motivatie van de studenten  

Een terugkerende uitspraak in de drie interviews is dat de studenten niet voldoende gemotiveerd zijn in het vinden, uitvoeren en behouden van hun stageplekken. De studenten hebben geen aandacht voor hun houding en voorkomen en komen niet op tijd. Volgens de heer Bulut is een van de grootste problemen het uitstelgedrag van de studenten. Wanneer vrijwel alle stageplekken al vergeven zijn aan gemotiveerde studenten, begint een bepaalde groep studenten pas met het oriλnteren en het zoeken naar een stageplek. Dit uitstelgedrag kan vergaande consequenties hebben, zoals het gedwongen stoppen met de mbo-opleiding. Ook de heer Kalka geeft aan ervaring te hebben met studenten die moeten stoppen met de opleiding wegens het ontbreken van een stage: 

“We kennen bij stichting ASHA het afgelopen jaar minstens tien stagiaires. Vijf stagiaires zijn voordat ze bij ons terecht konden tijdelijk gestopt met hun studie omdat zij geen stageplek konden vinden.” El Filali geeft aan dat het motivatieprobleem bij sommige studenten een diepere oorzaak heeft. “Veel studenten zijn verbitterd, ze geloven niet meer in zichzelf. Ook in het leven buiten school is er vrijwel alleen ellende. Sommige leerlingen komen op 50% verzuim uit en dit alles speelt door op de stageplek. Het verschil is alleen dat het daar niet getolereerd wordt.” 

In het bovenstaande komt de sociale bindingstheorie goed naar voren. De studenten plegen veel verzuim, hebben geen goede binding met de school en hun sociale omgeving. 

 

Daarnaast geeft El Filali aan dat er binnen het mbo vooral een focus is op het heropvoeden van leerlingen die eigenlijk nog niet klaar zijn voor de zelfstandigheid die van hen gevraagd wordt tijdens het proces van een stage zoeken en de uitvoering daarvan. Een ander belangrijk onderdeel van het stageproces is de sollicitatiebrief en de voorbereiding op het sollicitatiegesprek. Volgens Kalka denken studenten vaak te makkelijk over een sollicitatiebrief: 

“Studenten denken, ik heb een sollicitatiebrief dus nu moet de werkgever mij wel in dienst nemen. Maar als je brief er niet uit ziet of het is een overgeschreven brief is van een andere student, dan zal een stage-aanbieder dit merken en gelijk een ongemotiveerd beeld hebben van de student waardoor deze niet langer in aanmerking komt.”  

 

Bovendien  hebben de studenten niet voldoende communicatieve skills om op een goede manier een stage te zoeken. De heer El Filali geeft hierbij een goed voorbeeld: 

“Ik kreeg een student in mijn kantoor die maar geen stage kon vinden terwijl de tijd begon te dringen. Mijn voorstel was dat hij in mijn bijzijn een bedrijf op zou bellen om zo te kijken hoe de student dit zou aanpakken. Wat ik toen hoorde, ik schrok ervan.. De telefoon werd opgenomen aan de andere kant en wat de student zei was: ‘Hoi, heb je een stageplek voor mij?’, het antwoord was ontkennend waarop de student ‘Oke, doei’ antwoordde en ophing.”

 

Indien een student eenmaal een stageplek heeft gevonden blijkt het nog niet makkelijk te zijn om deze plek te behouden tot het eind van de stage. El Filali zegt hierover dat ze als mbo ontzettend veel moeite doen om bedrijven te regelen die een werkopleiding aanbieden. Er zijn goede contacten met het bedrijf en een aantal nieuwe stageplekken gecreλerd maar de studenten komen niet opdagen en zijn wederom niet gemotiveerd. De bedrijven willen dan geen afspraken maken met de school en de moeite is voor niks geweest. Ook hier komt het probleem naar boven dat studenten het buiten school en stage om vaak niet makkelijk hebben en soms zelfs mantelzorger zijn voor beiden ouders, het gezin moeten onderhouden en geld moeten verdienen voor het gezin. Studenten hebben vaak een bijbaan om kosten als de maandelijkse huur voor het gezin op te hoesten. Het gevolg hiervan is dat studenten naast een full-time stage hun week combineren met een intensieve bijbaan en zodoende te laat kunnen aankomen, vermoeid kunnen zijn en hun stage-ervaring verwaarlozen. 

 

Uit het interview met de heer El Filali komt nog een ander probleem naar voren voor de mbostudenten die een stage zoeken naast het gebrek aan motivatie. Hij benadrukt dat er ontzettend veel concurrentie is voor mbo-studenten die zoeken naar een stage. Ook digitalisering blijkt veel werk over te nemen.

“Veel bedrijven hebben genoeg keuze en kiezen eerder een universitaire of hbo-student dan een student van het mbo. Bedrijven zijn zich er ook van bewust dat wanneer zij hoger opgeleiden verkiezen, de dingen maar ιιn keer uitgelegd hoeven te worden in plaats van alles moeten herhalen.  

 

4.3.3 De meerwaarde van een stage

Op de vraag of studenten beseffen dat een stage belangrijk is voor hun toekomst wordt geantwoord dat een aantal studenten zich dit wel beseffen maar een groot deel van de studenten dit besef niet of te weinig hebben. De heer Bulut zegt hier het volgende over: 

“Er zijn studenten bij die heel bewust kiezen voor iets, vroeg aan de bak gaan en echt graag op een bepaalde plek stage willen lopen. Dit moet je vooral zo houden. En je hebt ook de studenten die afhaken uiteindelijk. Je moet ze de ruimte geven, erover praten. Maar tegelijkertijd geldt wel: dit is de markt en dit zijn de eisen.”

 

Kalka stelt dat het besef aanwezig is maar er meer nadruk op het belang van een stage moet komen te liggen.

“De studenten zouden een totale kijk op de maatschappij moeten hebben en beseffen wat er nodig is en hoe ze zelf graag willen zijn. Hiervoor zijn bijvoorbeeld meer maatschappelijk gerichte lessen nodig en moet er goed nagedacht worden over wat studenten na hun studie willen doen. Een voorlichting kan hier al goed bij helpen. Veel stagiaires doen eerst een hele opleiding en zeggen daarna dat ze het niet leuk vinden. Vaak weten ouders dit ook niet. Zij zijn op zichzelf aangewezen wat ze willen doen en hoe ze dit gaan doen.”  

 

4.3.4. Contact tussen betrokken partijen  

Contact tussen betrokken partijen zoals onder anderen de stage-aanbieder, de opleider zoals het ROC en een stagiaire komt in de open-interviews naar voren als iets wat veel beter kan verlopen. Volgens de heer Akbulut zou beter contact onderling ook voor betere controle kunnen zorgen.

“Belangrijk is dat er goed contact is tussen de school en stage-aanbieders. Dit leidt ertoe dat je ook beter kan controleren hoe stagiaires het doen, waar ze tegenaan lopen en hoe je ze het beste kan begeleiden. Als een stage-aanbieder niet de juiste begeleiding geeft, gaat dit ten koste van de ontwikkelingen die de student juist probeert door te maken. Het contact met de stage-aanbieder is daarom erg belangrijk en de kwaliteit staat hierbij centraal”.  

 

De heer Kalka heeft het over dat er tussen Stichting ASHA en de school voldoende overleg is, maar er verder gekeken moet worden. “We moeten verder kijken dan alleen contact met elkaar maken. Wellicht dat het een en ander opnieuw ingericht moet worden binnen het nu vastgestelde kader waarin we met elkaar praten. Het moet overboord. Contact over hoe wij zo effectief en leerzaam mogelijk samen kunnen werken om een stagiaire een nuttige ervaring op te laten doen. We moeten het met elkaar hebben over het aantal uur dat een stagiaire nuttig kan zijn binnen een leerbedrijf en hoe een student hulp kan verlenen. De antwoorden op deze vraagstukken kun je niet in je eentje beantwoorden, daarvoor heb je elkaar nodig”.

 

4.3.5 Neerwaartse spiraal  

Opvallend in de open-interviews is het feit dat er vaak gesproken wordt over een

“neerwaartse spiraal”. Hiermee wordt bedoeld dat studenten de motivatie verliezen door verschillende factoren gedurende het vinden van een stageplek. De studenten hebben over het algemeen geen makkelijke thuissituatie. De grootste consequentie hiervan is dat er geen netwerk bestaat waardoor de studenten makkelijk contacten kunnen leggen met het werkveld. Veel ouders hebben namelijk een lage opleiding en zelf geen contacten met het bedrijfsleven op een manier waar de studenten wat aan hebben. 

 

“De studenten moeten alles op eigen kracht opbouwen. Ze worden er moe van.”

 

Naast dat de studenten moe worden van een proces dat voor hun uitzichtloos lijkt, speelt ook een rol dat studenten weten welk algemeen beeld over hen bestaat. Zij worden gezien als een moeilijke doelgroep en het probleem van de maatschappij. Dit tezamen komt volgens El Filali tot uiting in een negatieve houding ten opzichte van de gehele maatschappij. Deze ontwikkeling kan gekoppeld worden aan de criminologische aspecten die genoemd zijn in het theoretisch kader zoals de zogenaamde folk devils en etikettering. Ook hier komt de sociale bindingstheorie naar voren op het gebied van binding met de maatschappij. Deze negatieve houding speelt door in het gebrek aan motivatie terwijl bedrijven nou juist die gemotiveerde studenten een stageplek willen aanbieden. 

“De studenten krijgen het gevoel dat het bedrijf aan het discrimineren is omdat zij constant worden afgewezen voor hun stageplek. Als de studenten merken dat zij gediscrimineerd worden zal het probleem worden vergroot”.   

 

Met discriminatie wordt in dit geval volgens El Filali niet per se gedoeld op discriminatie op grond van afkomst of huidskleur maar in een bredere context zoals opleidingsniveau. Zoals reeds beschreven hebben bedrijven genoeg aanmeldingen voor stageplekken en zullen zij deze liever opvullen met hoger opgeleide studenten. De mbo-studenten zullen door dit ongelijkheidsgevoel nog minder gemotiveerd raken en de hierboven beschreven spiraal zal zich via deze wijze blijven herhalen. De heer El Filali spreekt over het volgende:  “Hoe meer je tegen een mbo student aan duwt, hoe erger ze terug duwen. Ze voelen dat er geen respect is. En zo ontstaat een houding die niet gewenst is.”

 

4.3.6 Verbeteringen stage-systeem

Opmerkingen die gegeven worden die van belang kunnen zijn bij het verbeteren van het vinden van een stageplek voor mbo-studenten zijn gevarieerd. 

            Opvallend is dat tijdens een algemeen overleg in de Tweede Kamer in eind juni 2019, wel kritische vragen worden gesteld omtrent de begeleiding van studenten tijdens een stage met een beperking of chronische aandoening. Volgens Rog van het CDA heerst er gebrek aan regie en is het samenwerkingsverband onvoldoende op de stagemarkt van het mbo

(“Conceptverslag Passend onderwijs | Tweede Kamer der Staten-Generaal”, 2019).

 

 

Volgens de heer Akbulut is het belangrijk dat studenten weten dat zij centraal staan en dat de opleiding en een stage-aanbieder de student ondersteunen. “Er dient een nauwe samenwerking te zijn tussen betrokken partijen. Het hoort niet zo te zijn dat de betrokken partijen gescheiden met elkaar samenwerken. Vaak werken partijen langs elkaar heen. Er is enigzins veel telefonisch contact, maar wij zouden eigenlijk met elkaar de tijd moeten nemen om contact met elkaar te maken”.  

 

De heer Kalka heeft het over dat het belangrijkste is om eerlijk naar elkaar toe te zijn:

“We moeten eerlijk zijn in wat er speelt en dat ook benoemen en bespreekbaar maken. Als een leerbedrijf een slechte ervaring met een student heeft, dan moet daarover gepraat worden samen met de opleiding en de student en hoe wij dit kunnen verbeteren. Het doel moet altijd zijn om knelpunten proberen te kristalliseren en op te lossen. Studenten moeten daarnaast ook ook op hun gemak worden gesteld. Ik merk ook bij de stagiaires bij Stichting ASHA. Zij zijn vaak onzeker in wat zij doen. Zij voelen zich ondergeschikt. Dat maakt een student onzeker. Er moet onderzoek worden gedaan naar goedwillende leerbedrijven en wat hun ervaringen zijn. Wat zou volgens hen verwacht mogen worden van een student. Indien wij niet met elkaar in gesprek gaan, zal er uiteindelijk ook minder verbeterd kunnen worden”.

 

De heer El Filali merkt op dat er gewerkt moet worden aan de relatie, maar tegelijkertijd ook aan de structuur. Volgens El Filali moet er vanuit de gemeente en daarmee ook vanuit de overheid meer faciliteiten komen om studenten te helpen een stageplek te vinden. El Filali geeft bovendien aan dat hij het jammer vindt dat hij in andere landen ziet dat juist voor de scholen die ondermaats presteren, de beste docenten besluiten er te gaan werken. Hier moet volgens hem naartoe gewerkt worden. Het biedt volgens El Filali juist uitdaging. Daarnaast zou meer betrokkenheid vanuit de ouders kunnen meehelpen om een student te blijven motiveren voor het vinden van een stageplek.

“Uiteindelijk wordt er bij de Inspectie van het Onderwijs alleen gescoord indien het verschil tussen je input en output gelijk is. De focus ligt vaak op top-scholen en privι-scholen. Dat is anders bij de meer uitdagende scholen, het is namelijk een grote uitdaging om de input en output gelijk te houden. De samenwerking met leerbedrijven zou beter mogen. Bedrijven mogen enerzijds absoluut niet discrimineren en studenten zouden zichzelf moeten afvragen wat zij zelf beter kunnen doen. Waarom is A wel succesvol en ik niet? De verbeterpunten liggen bij een stage-aanbieder, maar ook bij de student zelf. Daarnaast zou er vanuit de opleiding meer betrokkenheid worden gevraagd aan ouders: dit helpt de zorg, begeleiding en coaching in het geheel”.  

Conclusie 

 

In dit onderzoek is getracht de ongelijkheidsgevoelens onder Utrechtse mbo-studenten te onderzoeken met de volgende probleemstelling:

 

 “In hoeverre is sprake van een ongelijkheidsgevoel onder Utrechtse mbo-2, 3 en 4 studenten en in hoeverre zien wij een ongelijke behandeling terug in de praktijk?”

 

Met een gemiddeld cijfer van een 4.7 op de volgende vraag: “Hoeveel ongelijkheid ondervind jij bij het vinden van een stage?” blijkt uit de enquκte dat mbo-studenten wel dergelijk een ongelijkheidsgevoel ervaren. Toch blijkt uit het onderzoek dat ongelijkheidsgevoelens niet alleen buiten de macht van de studenten liggen, maar ook te maken hebben met bijvoorbeeld een gebrek aan motivatie, voorbereiding, communicatieve vaardigheden en punctualiteit.  Hierbij moet worden opgemerkt dat studenten vaak uit een milieu komen waarbij financieel moet worden bijgedragen in het gezin. Deze werkzaamheden naast een full-time stage kunnen leiden tot vermoeidheid, minder motivatie en minder discipline in het bijvoorbeeld op tijd komen. 

            Uit onderzoek is gebleken dat de kwantitatieve en de kwalitatieve resultaten elkaar bevestigen. Een voorbeeld hiervan is dat de studenten met een hoger niveau vaker afgewezen worden dan studenten met een lager niveau. Dit werd ook in het kwalitatieve deel bevestigd door de heer El Filali. Volgens de heer El Filali ervaren mbo-studenten een enorme concurrentie met bijvoorbeeld hbo- en universitaire studenten. Logischerwijs hebben de studenten met een mbo-4 niveau hier meer last van dan studenten met een niveau-2 of 3.        Bovendien komt een tweedeling naar voren wat betreft de positieve- en negatieve gestemdheid in het gehele proces naar het vinden van een stage. Hierbij kan gedacht worden aan het serieus genomen worden, voldoende hulp ontvangen en het nuttig vinden van een stage. Dit wordt wederom bevestigd in de diepte-interviews door alle drie de deskundigen.                De grootste schaduwzijde van de huidige stagemarkt is de negatieve spiraal waar studenten in verzeild raken. Eenmaal in deze spiraal, zal een student meer ongelijkheidsgevoelens ervaren dan een student die positief in de maatschappij staat. 

 

Geconcludeerd kan worden dat meerdere factoren meespelen bij het ondervinden van ongelijkheidsgevoelens. Evident is dat wel degelijk sprake is van ongelijkheidsgevoelens onder de studenten. Deze ontwikkeling wordt zowel door kwantitatieve gegevens, als de deskundigen helder bevestigd. Uit dit onderzoek blijkt echter dat deze ongelijkheidsgevoelens meer kunnen voortkomen uit de student zelf, dan dat deze bewust worden gecreλerd door stage-aanbieders. De ongelijke behandeling die in dit onderzoek in de praktijk sterk naar voren kwam is de voorkeur voor hoger opgeleide studenten vanuit stage-aanbieders.  Kritisch mag gekeken worden naar de effectiviteit van de huidige stage-invulling. Uit de diepte-interviews blijkt dat de meningen over de huidige stage-invulling sceptisch zijn. Wellicht dat met vervolgonderzoek een verkennend beeld kan worden geschetst naar hoe een stage-ervaring zo effectief mogelijk ingevuld kan worden, zodat een stage een nuttige bijdrage voor de onderwijsontwikkeling vormt en vooral blijft. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bronnenlijst  

Bussemaker: geen eenvoudige oplossing voor stageproblematiek. (2015, 8 april).

Geraadpleegd 20 juni 2019, van https://mbo-today.nl/debat-over-praktijkleren/

Conceptverslag Passend onderwijs | Tweede Kamer der Staten-Generaal. (2019, 26 juni).

[Kamerbrief]. Geraadpleegd op 3 juli 2019, van

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/verslagen/detail?id=2019D30175

 

“De uitval in het mbo is een landelijk probleem”. (2016, 15 november). [Persbericht]. Geraadpleegd 30 juni 2019, van https://www.ad.nl/delft/de-uitval-in-het-mbo-is-eenlandelijk-probleem~a25c92a3/

Hofhuis, E. & Swarte, A. (2016). Kroniek gelijke behandeling. Nederlands tijdschrift voor de Mensenrechten, p. 1-13. 

 

Klooster, E., Kocak, S. & Day, M. (2016). Mbo en de stagemarkt, wat is de rol van discriminatie? (z.p.): Kennisplatform Integratie & Samenleving. 

 

MBO Raad (2016). Gelijke kansen. Geraadpleegd op 14 juni 2019, van https://www.mboraad.nl/publicaties/brief-19-september-2016-gelijke-kansen

 

Philipsen, H. (1970). Afwijkend gedrag, etikettering door de samenleving en strategieλn van de afwijkers. Geraadpleegd op 21 juni 2019, van https://rjh.ub.rug.nl/sogi/article/view/22544

 

de Ree, M. (2017, 31 maart). ‘Niet iedereen heeft dezelfde kansen’. Geraadpleegd 30 juni

2019, van https://www.cbs.nl/nl-nl/corporate/2017/13/niet-iedereen-heeft-dezelfde-kansen-

 

Van Rooijen, M. & Winter-Koç ak, S. (2018). Gelijke kansen op gelijke stages. Geraadpleegd op 14 juni 2019, van https://www.kis.nl/sites/default/files/bestanden/Publicaties/gelijkekansen-op-gelijke-stages.pdf

 

Rutenfrans, C. J. C., & Terlouw, G. J. (1994). Delinquentie, sociale controle en `life events’ :

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum Ministerie van Veiligheid en Justitie Repository. Geraadpleegd 28 juni 2019, van

https://repository.tudelft.nl/view/wodc/uuid:31bd2308-8d85-459f-8643-8d5cff79a857